De geheelonthouder

Ik drink niet. Nooit gedaan ook. Ja, als tiener wel eens een Safari-jus in de discotheek. En met Oud en Nieuw drink ik op aandringen van vrienden wel eens een half glaasje champagne, maar verder niet. Ik heb daar geen uitgesproken reden voor. Ik vind het gewoon niet lekker. Ik zie ook geen reden m’n best te doen het wel lekker te vinden. Zelden kom ik mensen tegen die ook niet drinken. Mensen die willen weten waarom ík niet drink des te vaker. Soms zeg ik dat ik moslim ben, of ex-alcoholist, of zwanger, maar meestal leg ik het braaf uit. Het wordt bijna altijd vreemd gevonden. Ik heb wel eens een café verlaten omdat ik iedere keer dat ik een spa of thee bestelde, flauwe opmerkingen van de barman kreeg. En tot mijn verbazing is het zelfs op personeelsfeestjes van de verslavingszorg uitgesloten dat er alleen fris wordt geschonken. Niet drinken is een bewuste keuze, wel drinken is de norm.

Met drugs ligt dat anders. Het is niet alleen maatschappelijk minder geaccepteerd, het is zelfs wettelijk verboden. En de verkoop van softdrugs wordt dan wel gedoogd, maar is aan strenge voorwaarden gebonden. Weliswaar is in sommige subculturen drugsgebruik normaal; in het algemeen is het toch de uitzondering. Niemand heeft mij ooit gevraagd: waarom blow jij niet?

Ik probeer me wel eens voor te stellen hoe dat moet zijn voor iemand die met veel moeite zijn alcoholverslaving heeft overwonnen. Steeds word je geconfronteerd met het verslavende middel, vooral in ontspannen en sociale situaties. Situaties waarin je misschien juist even niet op je qui-vive bent. Of wilt zijn. Steeds moet je uitleggen waarom je geen alcohol drinkt. Gewoon een biertje bestellen kan dan een verleidelijke manier zijn om van het gezeik af te zijn. Als je bedenkt dat verslaving een chronische ziekte is, dat je wel kan zijn gestopt met drinken, maar fysiek en mentaal altijd een alcoholist zult blijven, dan is dat wel een heel wrange situatie.

Schatgraven

In 2005 kwam ik werken bij de verslavingszorg. Eén van de eerste klussen die ik kreeg was het opruimen van het directiearchief van één van de drie organisaties die zich vlak daarvoor met een fusie hadden verenigd.

Het opruimen duurde erg lang. Ik nam mij voor de klus vlot te klaren, maar elke keer verzandde ik weer in het lezen van notulen van directievergaderingen, beleidsnota’s, verslagen van onderhandelingen met gemeenten en net-niet-gelukte fusies. Tussen de regels door las ik veel over de verhoudingen met financiers en collega-instellingen en tussen directieleden onderling. Het was een leerzame klus.

Op zeker moment stuitte ik op een archiefstuk van een heel andere aard. Het was een broos en vergeeld logboek uit 1919. Iemand met een onleesbare naam rapporteerde daarin aan een niet nader gedefinieerde ‘heer’ over de personen die hij had bezocht. De notities maakten duidelijk dat bij deze mannen (geen enkele rapportage ging over een vrouw, echtgenotes en moeders daargelaten) drankzucht het gemeenschappelijke probleem was. De genoteerde adressen duidden op een werkgebied in en rond het centrum van de stad Groningen.

Ik was vreselijk opgetogen over deze vondst. Ik had een historische schat in handen! De collega’s aan wie ik het liet zien, reageerden echter nogal lauw. In mijn zevenjarige carrière in de verslavingszorg hield ik het logboek steeds bij me, mijn schat koesterend. Toen ik vorig jaar de verslavingszorg verliet, besloot ik het naar de Groninger Archieven te brengen. Daar ligt het nu, veilig tussen ander cultureel erfgoed uit de provincie Groningen. Omdat dit soort archiefstukken pas na 100 jaar openbaar gemaakt worden, mag de persoonlijke informatie niet openbaar gemaakt worden. Maar wie belooft dat niet te doen en zijn paspoort laat zien, mag de stukken bekijken.

Dat is wat Froukje en ik onlangs hebben gedaan. Samen probeerden we de aantekeningen te ontcijferen. Soms was de inkt teveel vervaagd om de aantekeningen te kunnen lezen. Maar veel tekst was nog leesbaar. De bemoeizorger van vandaag zal zich in de verslagen herkennen. Soms staat achter de naam van de klant ‘houdt zich best’ of iets van die strekking genoteerd. Vaker is de rapportage uitgebreider en bevat wederwaardigheden over of genoemde persoon emplooi had, in militaire dienst moest of voor de rechter moest verschijnen. Armoede is eveneens een terugkerend thema. Steeds wordt geprobeerd de klanten ervan te overtuigen ‘langs te komen’. Geregeld trof onze ik-figuur klanten trouwens niet thuis, omdat die volgens vrouw of moeder ‘aan de sjouw’ waren. Met regelmaat wordt er motiverende gespreksvoering avant la lettre bedreven en ook worden de positieve ontwikkelingen steeds benadrukt. Uit de rapportages spreekt veel geduld en mededogen met de drankzuchtigen, ook als zij zich niet aan hun beloftes houden.

Toch tobt onze bemoeizorger zo nu en dan met het werk. Op 19 december 1919 lezen we:

Geachte heer, […] Ik had zoo gaarne gehad dat U mij had geantwoord op mijn vraag bijv. ‘hoe ik sta tegenover het bureau’- in welke betrekking. U zal toch begrijpen dat dit voor mij van belang is. Enfin, ik kom wel eens praten doch ik wil gaarne dat ik weet waar ik aan toe ben. Nu is het zoo, kan ik op een avond extra verdienen, dan doe ik dat. Niemand kan mij dat ten kwade duiden, omdat ik niet gebonden ben. Daarbij kost alles mij tijd en geld en ben ik ook geen kapitalist. Laten ze een bedrag noemen, hoe klein dan ook. Ik heb dan een overzicht en kan mijn werk ernaar regelen. Mijn beschikbare tijd geef ik steeds aan het bureau, nu reeds zondags ook een paar uur. Ik moet dan uit mijn werk weg, doe het alles met genoegen doch kan ook niet best aanmerkingen horen.

Ook gaat de interne communicatie soms stroef:

Geachte heer, Reeds lang beloofde u mij eens op te geven waarvoor de menschen [onleesbaar] veroordeeld werden. Vroeger werd ik steeds met iedere nieuwe patiënt gewaar waarom hij bij ons kwam, den laatsten tijd verneem ik dat niet meer. ‘t Is toch in het belang der zaak dat ik alles weet. Met het bestuur schiet ik niets op, heb wel een onderhoud gehad met dr. [onleesbaar], doch ben niets verder gekomen.

Ik vraag mij af wie deze persoon was en aan wie hij (?) rapporteerde. Voor welke organisatie werkten zij? Waar staat de afkorting ‘C.B.’ op het omslag voor? Misschien kom ik er nog achter. Maar daarvoor zal ik eerst verder en dieper moeten schatgraven.

Randgroepjongere in Groningen

Bijdehand waren we op vroege leeftijd
niets was ons te dol
We konden gewoon ons ei niet kwijt
we leefden toch maar voor de lol
Los van God, alles en iedereen
zochten we ons toevlucht in de dope
We leefden ons leven vaak alleen
weinig zaken gaf ons nog hoop
Niemand die ons kon bekeren
voor ons was het al te laat
Wij leefden toen in andere sferen
het waren de donkere sferen van de straat

Eind jaren negentig toen ik terug keek op mijn toenmalige leven schreef ik het bovenstaand gedicht. Het ging over jongeren die opgroeiden aan de zelfkant van de maatschappij.
We zochten elkaar op in jeugdsoosen en bar dancings in de stad Groningen. Samen stortten we ons in het gebruik van heroïne, dat was het begin van een nieuw tijdperk in Groningen.

We werden bestempeld als randgroepjongeren. We waren jongeren die aan de zelfkant van de maatschappij leefden. Randgroepjongeren kwamen vaak uit achterstandswijken/ probleemgezinnen. Ze kwamen uit minderheidsculturen, zoals de Molukkers en Surinamers in die tijd uit Groningen. Ondanks de (sub)cultuurverschillen bleken we toch een overeenkomst te hebben. Wat ons met elkaar verbond of in elkaar aantrok? We stonden aan de zelfkant van de samenleving. We hadden aanpassingsproblemen, waardoor we moeilijk aansluiting vonden met anderen. We waren onstabiel, konden niet meekomen op school, werden gezien als brutaal en onhandelbaar, kortom we waren de schoffies van de straat, die zich destijds niet konden handhaven in Groningen.
We zochten elkaar op in een jeugdsoos achter de A-kerk. Tuin In genaamd, maar ook bar dancing de Blauwe Huzaar in de Hardingedwarsstraat was op zaterdagavond ons domein. We rookten hash en hadden bravoure.
Tot de heroïne zijn opmars begon te maken. Eén voor eén gingen we voor de bijl. We zogen elkaar als het ware mee in het gebruik. Je hoorde er anders niet meer bij. Maar het verzachtte ook de pijn. Ik heb het hier over de middenjaren zeventig van de vorige eeuw. Ik behoorde ook tot deze jongeren.

Jos Oudebos

Opstand Huis van Bewaring Groningen, 1974



Ziet u die man in het midden van het dak, de man die met een dakpan gooit? Die man is onlangs overleden. Helaas, want ik had nog met hem willen bespreken, wat hij op dat dak aan het doen was, bijna 40 jaar geleden. Zijn familie schaamde zich rot voor zijn ge en voor alle publiciteit die deze stunt met zich meebracht. Hij kwam uit een arm, maar netjes arbeidersgezin. Hij was de enige uit het gezin die een leven aanging van verslaving, criminaliteit, en moeilijkheden.

Toen ik hem leerde kennen was hij ongeveer 20jaar ouder dan op deze foto. Ik heb heel lang niet geweten, dat hij bij de opstand betrokken geweest was. Best raar, want ik heb zelf 6 jaar in dit Huis van Bewaring (HvB) gewerkt, ik heb daar veel gehoord over de opstand. Maar niet over wie er precies bij betrokken waren.

Hoe dan ook.

Als ik de kranten van die tijd erop nakijk, was het nogal wat, deze opstand. Hij was ontstaan na een klein meningsverschil tussen een gedetineerde en een bewaarder. Na de kerkdienst, 4 augustus 1974 was op een zondag,zijn er 7 gedetineerden naar de hoogste etage gegaan en hebben de opstand uitgeroepen. Hoe ze precies op het dak gekomen zijn, is niet goed terug te halen uit de kranten; dat was een van de vragen die ik aan mijn client had willen stellen.

Uiteindelijk is binnen brand uitgebroken en brak buiten een onweer los met veel bliksem en regen. Uiteindelijk hebben de opstandelingen zich overgegeven aan de politie en zijn naar verschillende andere HvB’s afgevoerd. In het HvB was voor een miljoen gulden schade aangericht. Dat was ook toen al een enorm bedrag.

De gedetineerden die niet meededen, waren bang geweest. Uit een artikel van het Nieuwsblad van het Noorden, 5-8-1974:

“Ik heb al die tijd zitten trillen, ik scheet gewoon geweerolie van angst. Gelukkig had ik valium bij de hand’ vertelt de Groninger D, die het vanmorgen het HvB verliet. Aan de vooravond van zijn ontslag brak de opstand uit. Zijn eerste gang vandaag was naar de kroeg. ‘Ik moet nog een paar borrels voor de schrik hebben’ vertelt hij.

D. zegt niets met de opstand van doen te hebben gehad. ‘Toen de herrie om ongeveer 3 uur begon, ben ik in mijn cel onmiddellijk op het toilet gaan zitten. Maar de opstandelingen sloegen met 2 klappen de deur van mijn cel open. Ik wilde niet meedoen, want ik zou vandaag vrijkomen. Met 20 anderen, die ook niets met de opstand te maken wilden hebben, liepen we naar het hek. De opstandelingen scholden ons uit voor lafaards. Ook gooiden ze glas naar beneden’ aldus D. “

De mannen op het dak, wat dachten zij? Waren ze ook bang, of zaten ze in een soort overwinningsroes? Kijk hoe de man rechts op de foto staat, als een trotse koning, zijn houding straalt een en al triomf uit. Kijk naar mijn client, die altijd wel in was voor een relletje en wat lol, hoe hij staat te smijten met die dakpannen. Wat had ik zijn verhaal graag nog gehoord. Ik was te laat.

Toen ik hem er naar vroeg, een van de laatste keren dat ik hem opzocht, hij lag in het ziekenhuis, vond hij het leuk dat ik de foto kende en dat ik er wat meer over wilde weten. Hij was erg kortademig en op dat moment konden we niet lang praten. Maar hij vond het leuk om het verhaal op een ander moment te vertellen, en vooral, die foto nog eens te zien.

Als voorafje zei hij, met een nostalgische blik en een wat vermoeide glimlach: “Ach, dat waren kwajongensstreken…”

Juist ja.