Detentie? Jammer dan! Opsluiten en afsluiten!

Van de afdeling Zorgcontrol (willekeurige GGZ instelling in Nederland na 2013).Zodra de cliënt in detentie zit moet zijn of haar DBC worden beëindigd! Het is niet toegestaan om een DBC open te laten staan terwijl de cliënt in detentie verblijft, ook niet als er gedurende de detentieperiode niet op de DBC wordt geregistreerd.
Wanneer de cliënt in detentie of voorlopige hechtenis zit, wordt zijn/haar zorgverzekering opgeschort. Als de DBC doorloopt in een periode dat de zorgverzekering is opgeschort, wordt deze DBC in zijn geheel niet vergoed door de zorgverzekeraar. Het is daarom erg belangrijk om in zo’n geval de DBC tijdig te beëindigen.
Na vrijlating dient de cliënt een einde-detentieverklaring in te dienen bij de zorgverzekeraar. Wanneer vervolgens weer aan alle DBC-eisen is voldaan, kan er weer een DBC worden geopend.
Bovenstaande geldt niet wanneer er sprake is van inverzekeringstelling. In zo’n geval wordt de zorgverzekering niet opgeschort en mag de DBC wel worden voortgezet”.

Dat zijn veel woorden, maar wat betekenen die precies?

Neem cliënt Piebe. Hij is 43 jaar, gebruikt al een jaar of 25 harddrugs en is ook sinds 20 jaar in behandeling bij een instelling voor verslavingszorg, laten we zeggen VNN. Hij pleegt al jaren meest kleine delicten om zijn inkomen van de sociale dienst aan te vullen. Een beetje cocaïneverslaving zit toch gauw op € 20,– per dag dus reken maar uit wat dat in een maand is. Dat red je niet met je vaste lasten ernaast.
Piebe zit gemiddeld ieder jaar wel een keer of 3 kort vast. Taakstraf niet goed volbracht, dus de resterende 37 dagen zitten, een oude straf die nog niet uitgezeten was van 60 dagen, en een keer op heterdaad opgepakt voor een inbraak en toen ook blijven zitten tot de rechter uitspraak deed, nog eens 3 maanden.
Bekijk nu de bovenstaande mededeling nog eens. Piebe wordt dus iedere keer dat hij de gevangenis in gaat, meteen afgesloten als cliënt bij de VNN, of bij de GGZ, of waar hij dan ook maar in een DBC behandeling is. Want detentie betekent geen zorgverzekering, geen zorgverzekering betekent dat de instelling haar kosten niet kan declareren bij de zorgverzekeraar en dat betekent vervolgens dat de cliënt niet geholpen kan worden. Dus liever 3 keer opnieuw beginnen en cashen, dan de zaak door laten lopen en het nakijken hebben als organisatie, dan ga je zeker failliet.

Na detentie moet Piebe zelf zorgen dat zijn zorgverzekering weer gaat lopen. Zijn hulpverlener en hij moeten hem dan weer ‘DBC waardig’ zien te krijgen. Dat gaat als volgt.

  • De hulpverlener moet bij het einde van iedere behandeling, in dit geval dus 3 keer in 1 jaar, een brief naar de huisarts sturen om te melden dat de behandeling van Piebe is afgelopen en rapporteren hoe die verlopen is.
  • Als Piebe zich na detentie weer meldt voor een vervolgbehandeling moet zijn huisarts hem middels een brief verwijzen naar de VNN (ja, iedere keer weer inderdaad, dus ook 3 keer, voor bijvoorbeeld opname in een kliniek is nog een aparte verwijsbrief nodig van de huisarts)
  • Piebe moet, als hij zijn verwijsbrief heeft, ingepland worden voor een nieuwe intake, deze intake neemt ongeveer een uur tijd in beslag. Ook al kent men Piebe nog zo goed en is zijn problematiek al jaren duidelijk en niet veranderd, de zorgverzekeraar eist iedere keer weer de volledige intake. Ook hier dus maal 3 in het geval van Piebe.
  • De intaker moet de intake uitwerken tot een verslag en dit bespreken in het Multi Disciplinair Overleg (MDO) waar de hoofdbehandelaren een diagnose stellen en vervolgens besluiten, welke behandeling Piebe moet krijgen. Die is al jaren hetzelfde waarschijnlijk.

Dit soort bureaucratie en, voor de hulpverlening aan de cliënt, overbodig geregel en gepraat drijft iedereen tot waanzin; niet alleen Piebe, die gewoon zijn hulpaanbod voortgezet wil hebben, maar ook de huisarts die maar brieven moet blijven schrijven en de intaker die weer het hele verhaal met Piebe moet doornemen maar de antwoorden inmiddels kan dromen. Nog daargelaten dat een vergadering met veel deelnemers zich 3 keer moet buigen over weer een intake van Piebe en er daarnaast ook nog zeker eens per jaar een schriftelijke evaluatie van de behandeling geëist wordt door de zorgverzekeraar.
En dit alles, dat mag duidelijk zijn, voegt nog niets toe aan de zorg aan Piebe zelf. Die moet het, na alle papierhandel doen met hulpverleners die zo’n hoge werkdruk hebben door dit alles, dat hij blij mag zijn als hij een uurtje per 2 weken gezien kan worden.

DBC’s waren ooit bedoeld om 1 behandeling, met alle verrichtingen daarin, makkelijker en duidelijker te kunnen declareren bij de zorgverzekeraars. Want vroeger was dat blijkbaar een puinhoop met al die aparte verrichtingen die allemaal apart gedeclareerd konden worden. Het was een systeem wat fraude bevorderde. En met een DBC zou de marktwerking in de zorg veel makkelijker worden.
Maar we schieten er niet zoveel mee op. Want goedkoper wordt het er zo echt niet van en weet u nog van oorsmeergate?

Naschrift 2019: inmiddels moet ik constateren dat we hier met zijn allen totaal aan gewend zijn in de zorg en dat niemand zich er meer druk over maakt. We hebben ermee te dealen dus doen we dat. Het laat niet na dat het gekkenwerk blijft. De zorg lijkt alleen maar duurder te worden… De marktwerking is faliekant mislukt. 

5 jaar vermist

8 December 2014.
Deze maand is ze precies 5 jaar weg. Vermist. Waarschijnlijk overleden, waarschijnlijk vermoord.
Marian Kusters, toen 43 jaar, straatprostituee, laatst gezien op 8 december 2009 op de tippelzone in Groningen, in de huiskamer van het straatprostitutieproject. Het duurde niet al te lang of een goede vriend sloeg alarm bij mij. Hij is een ex partner van Marian en hij weet dat hij bij mij gehoor krijgt als hij zich ongerust maakt. Ik belde de cellengang om te horen of ze daar zat. Nee. Marian was niet opgepakt. Zat geen oude straf of een boete uit. Ik belde de methadonpost. Daar was ze al een paar keer niet geweest, maar dat kon wel eens gebeuren in haar geval. Toch spraken we af het in de gaten te houden. Methadon is belangrijk in het bestaan van een verslaafde. 1 keer missen kan maar dan nog wordt er vaak (te laat) gebeld. Verstrekking gemist, mag ik morgen komen? Marian had niet gebeld.
Het bleef hangen in mijn hoofd, waar zit die vrouw? Het werd kerst, geen Marian die haar kerstpakket bij Gonnie van stichting de Straatmadelief kwam halen.
Het werd uitbetalingsdag van de uitkering, er werd geen geld opgenomen. Toen wisten we eigenlijk wel genoeg. Het was foute boel. De hulpverlener van het BING team deed aangifte van vermissing.
Daar gingen we weer. Verklaringen afleggen op het politiebureau, gegevens uitpluizen. En ja we konden haar voor het laatst traceren bij de huiskamer van de tippelzone. Dat is naar. Wat is er gebeurd nadat ze voor de laatste keer naar buiten liep, waarschijnlijk op weg naar een volgende klant? 
Het was een erg koude winter. De diepenring was al weken stijf bevroren. Als ik er na het werk langs liep of fietste en naar het ijs keek,  vroeg ik me af of zij eronder lag. Of we haar pas zouden vinden als het ijs zou verdwijnen, in maart van het jaar erna ofzo. Maar ook dat gebeurde niet.
Waar is Marian? We missen haar nog steeds. Met al haar sores, haar moeilijke voeten want ze had zolang op hakken gelopen dat platte schoenen haar niet goed afgingen.
Waar is Marian? Haar familie leeft met de dag maar ook met de onzekerheid. Wat is er gebeurd en waar is onze moeder, zuster, dochter? 
Dat niet te weten is een dagelijkse kwelling, zo stel ik mij voor. 
Ook in het kleine Groningse drugswereldje gaat het nog regelmatig over Marian. 
Zou iemand iets weten wat Marian bij ons allen terug kan brengen en haar een respectvol graf kan schenken?

Please. 

Meten is weten (en wie wat bewaart, die heeft wat)

En toen kreeg ik een jaarverslag van de Vereniging tot instandhouding van een Consultatiebureau voor Alcoholisme in de provincie Friesland in handen. Het verslagjaar is 1955.

Dat waren andere tijden. Alle vier medewerkers werden bij naam genoemd: een zenuwarts, een directeur, een reclasseringsambtenaar en een zuster voor maatschappelijk werk. Deze medewerkers hadden tezamen een caseload van 261 patiënten. Het valt op dat het gros van de patiënten uit de stad Leeuwarden afkomstig was. Daarnaast waren het vooral de Friese Wouden waar werk aan de winkel was.
Ook tegenwoordig komt absoluut en procentueel gezien een groot aantal van de klanten van de Friese verslavingszorg uit Leeuwarden. Maar de Friese Wouden zijn niet meer oververtegenwoordigd in de statistieken. De verslaggever van 1955 relativeert trouwens de cijfers: ‘Men hechte overigens aan deze cijfers, die in grote trekken overeenstemmen met die van vorige jaren, geen overdreven betekenis, daar in vele gevallen de activiteit van de plaatselijke politie een grote rol speelt’.
Hoewel verslavingszorg nooit gemakkelijk is geweest, waren de problemen in 1955 wel overzichtelijker. Drugs-, gok- en gameverslaving waren onbekend en van de 261 patiënten waren er slechts vier vrouw. Maar sommige zaken zijn hetzelfde gebleven. De meeste alcoholisten waren in 1955 tussen de 40 en 49 jaar, nu is de gemiddelde Friese alcoholist 46.
Hoe het heden ten dage is gesteld met het beroep van de cliënten van de verslavingszorg, hun burgerlijke staat of de kerkelijke stroming waarbij zij aangesloten zijn, valt niet te achterhalen. Dat werd in 1955 allemaal keurig bijgehouden.
Het speerpunt voor de komende jaren ligt wat de verslaglegger betreft bij de jeugd. Bij hen bestaat het gevaar ‘dat een tot dusverre incidenteel drankgebruik op de duur zal omslaan in drankzucht’.
En dan de financiën. Die baarden het bestuur in die tijd ook al zorgen. Dat had onder meer te maken met tegenvallende inkomsten in de categorie ‘contributie en donatie’: slechts 331 gulden kon  de vereniging op de exploitatierekening noteren. Op een bij het jaarverslag gevoegd kaartje kon de lezer zijn gegevens invullen als hij lid/donateur wenste te worden van de vereniging. Van deze actie had men blijkbaar goede verwachtingen, want de begroting voor 1956 ging uit van 700 gulden contributie. Die begroting paste overigens op een half A5-je.
 

Bronnen:
– Jaarverslag 1955 van de Vereniging tot instandhouding van een Consultatiebureau voor Alcoholisme in de provincie Friesland
– Kengetallen VNN gemeenten Provincie Friesland 2013

Leuker kunnen we het niet maken, makkelijker ook niet

December 2013.
Ik krijg een seintje van de sociale dienst dat er iets mis is met het postadres van mijn cliënt X. Hij lijkt bij de gemeente Groningen per 30 september 2013 te zijn uitgeschreven. Geen adres, geen recht op uitkering. Ik ga op zoek en bel eerst maar de maatschappelijke opvang, waar het postadres zich bevind. X staat gewoon ingeschreven. Ik bel de gemeente Groningen, afdeling burgerzaken. Inderdaad, X is bij de gemeente wèl uitgeschreven omdat hij niet gereageerd heeft op brieven van de gemeente, over dat postadres. Een deurwaarder deed onderzoek naar zijn adres omdat X een schuld had. Toen er geen reactie kwam, concludeerde de gemeente dat X dan wel geëmigreerd zou zijn en schreef hem uit. Omdat ambtelijke molens langzaam malen, werd die uitschrijving pas eind december 2013 zichtbaar in de systemen. Voordat we duidelijkheid hadden over wat er gaande was, was het half januari 2014.

Ik nam nogmaals contact op met het postadres. Men vertelde dat er twee mensen met de naam X waren, en dat het wel eens mis ging met het verdelen van de post. Het zou goed kunnen dat de post van de gemeente dus echt niet bij mijn X terecht gekomen was.
We moesten een nieuw postadres regelen.
Dat is geen sinecure; het is een heel rondje afwerken. Naar de sociale dienst voor een formulier met stempel. Met dit formulier naar het postadres voor een stempel. Met de 2 stempels naar burgerzaken en de inschrijving regelen. Met de inschrijving terug naar het postadres om een kopie af te geven en het origineel terug  naar de sociale dienst. Met frisse tegenzin begonnen X en ik aan de klus. Omdat mijn agenda vaak druk is duurde het even voor ik een paar uur tijd had om met X op pad te gaan.
Aangekomen bij de burgerzaken, we hadden een afspraak dus waren we lekker snel aan de beurt, strandden we meteen. Het gestempelde formulier was ouder dan 7 dagen en dat is niet toegestaan. We hadden een formulier van 10 dagen oud dus we werden retour afzender gestuurd. Een week later hebben we na een strak gecoördineerd beleid alsnog met een geldig formulier de inschrijving kunnen doen; wel via de afdeling immigratie want X was immers geëmigreerd. Eind goed, al goed zou je denken.

Maar nee. Omdat X pas per februari 2014 weer ingeschreven was bij de gemeente, kon het recht op uitkering vanaf oktober 2013 tot de datum van (her)inschrijving niet vastgesteld worden door de sociale dienst.  Ik moest een brief aan de gemeente schrijven met een verzoek om correctie van de datum van uitschrijving. Ik schreef een uitgebreide brief. De gemeente belde; de correctie zou doorgevoerd worden. Mooi zo.
Wat minder mooi was, was dat de belastingdienst inmiddels ook vernomen had, want dat geeft de gemeente door, dat X vanaf oktober 2013 niet meer over een adres beschikte. Met als gevolg, dat er geen recht meer was op zorgtoeslag.

Ik belde de belastingtelefoon. We schrijven april 2014.
In het systeem van de belastingdienst was zichtbaar, dat er een nieuwe inschrijving gedaan was bij de gemeente Groningen in februari 2014. Wat men niet kon zien, was de correctie die later doorgevoerd was. Ik moest maar even een paar weken wachten, dan zou het wel verwerkt zijn. Dat deed ik.
Intussen begonnen de brieven van de belasting binnen te komen, dat X onterecht zorgtoeslag had ontvangen en dit nu terug moest betalen.
Ik belde een week of 2 later weer naar de belastingtelefoon, en hoera, de correctie was daar nu ook bekend. Maar toen ik digitaal probeerde de zorgtoeslag weer aan te vragen vanaf oktober 2013, kon dat niet omdat het adres onbekend zou zijn. De belastingdienst vertelde, dat ‘dit logisch was omdat het om een postadres, en niet om een woonadres ging’.
Huh? Bijna al mijn geachte cliënten hebben een postadres en wonen nergens, maar krijgen gewoon hun zorgtoeslag.
Men zou het uitzoeken en ik moest erover teruggebeld worden door een andere afdeling. Dat gebeurde een paar dagen later, om half 9 ’s ochtends. Ik had een drukke dag voor de boeg en zat in de auto. De medewerker van de belastingdienst wist mijn vraag te noemen, de volledige naam van X, en de datum waarop ik de vraag gesteld had. Maar ter controle moest ik de geboortedatum noemen en die wist ik niet uit mijn hoofd. Waarop de medewerker mijn vraag niet kon beantwoorden en wanneer kon ze mij terugbellen? Ik zou de rest van de dag niet in de buurt van mijn kantoor zijn, dus ik vroeg of het de dag erna kon. ’s Middags, ik zat met een cliënt in een apotheek, belde dezelfde mevrouw mij terug. Ik had nog steeds de geboortedatum niet paraat natuurlijk, waarop ik de mededeling kreeg dat dit de laatste dag was waarop mijn call beantwoord kon worden. Ik moest de volgende dag maar terugbellen en de vraag opnieuw ‘uitzetten’.

Dat heb ik dan maar gedaan. Ik zou er weer over teruggebeld worden en deze keer had ik de geboortedatum maar prominent genoteerd, dus kreeg ik antwoord. Het bleek dat ik de zorgtoeslag, omdat het om een postadres ging, niet digitaal aan kon vragen en dus moesten er papieren formulieren aangevraagd en teruggestuurd worden.
Ook dat hebben X en ik gedaan. Er gebeurde een tijdje niets. Er kwam geen post, maar ook geen zorgtoeslag binnen. Totdat X met twee dwangbevelen verscheen. De zorgtoeslag van 2013, 3 maanden, en voor 2014, nog eens 3 maanden moesten meteen worden betaald.
Ik ging weer bellen. 2014 bleek vrij snel opgelost, tenminste, dat leek zo. De medewerker van de belastingtelefoon kon zien dat er in juni een nieuwe aanvraag was binnengekomen en 2014 was weer toegekend, dus ik kon dat dwangbevel vergeten. Over 2013 kon hij geen antwoord vinden; ik meldde dat X gewoon recht had op de zorgtoeslag van die 3 maanden, maar dat dit nog niet toegekend was. Omdat er toch een dwangbevel gekomen was, vroeg ik of dat ingetrokken kon worden. Hierover moest ik worden teruggebeld. Zo gezegd zo gedaan; deze keer had men een boodschap ingesproken. Ik had volgens deze medewerker gevraagd naar een betalingsregeling, maar dat hoefde niet meer, want het openstaande bedrag was al verrekend met een bedrag wat X nog kreeg van de belastingdienst.
Dat was vreemd want X krijgt eigenlijk nooit geld terug van de belastingdienst. Ik belde er achteraan omdat ik wilde weten wat er dan precies verrekend was. Ik kreeg een vriendelijke medewerker aan de lijn die mij ongeveer 5 keer in de wacht moest zetten om te kijken wat er nu precies gebeurd was. Het bleek dat het openstaande bedrag van 2013, waar X wel recht op heeft maar wat  nog niet toegekend is, verrekend was met het bedrag wat hij over 2014 alsnog toegekend gekregen had. De kosten van het dwangbevel, 58,– waren ook verrekend. Toen ik meldde dat dit zo natuurlijk niet kon en dat ik overigens ook geen antwoord had gekregen op mijn vraag of het dwangbevel ingetrokken kon worden, was het antwoord, dat dit laatste niet kon, maar dat ik wel, binnen 6 weken na dagtekening, bezwaar aan kan tekenen tegen de kosten van het dwangbevel.
Dan mag ik nu wel opschieten.

Augustus 2014.
(bijna september en een jaar na de onterechte uitschrijving)
De toekenning van de 3 maanden uit 2013 zal nog even op zich laten wachten, omdat ik mijn aanvraag na 1 april 2014 had ingestuurd en dan is het wachten op de definitieve berekening van het voorgaande jaar, die is over een maandje of 3 te verwachten. Het bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel is inmiddels de deur uit.

Het is dat het mijn werk is. Maar de doorsnee burger was allang afgehaakt in deze Kafkaëske toestanden. Al was het maar vanwege de vele uren die ik inmiddels in de wacht heb gestaan bij de belastingtelefoon. Dat kost heel veel belminuten.

De macht in de zorg

Eind vorig jaar gaf minister Schippers van VWS opdracht aan het Zorg Instituut Nederland(ZIN), om de kosteneffectiviteit en doelmatigheid in de verslavingszorg te onderzoeken. De zorgkosten voor mensen met verslavingsproblemen waren de laatste jaren zorgwekkend omhoog gegaan. Eerst was het onderzoek gericht op de buitenlandse klinieken, moesten die er wel zo nodig zijn of komen en was hun zorg nu zoveel beter dan die van de reguliere zorginstellingen.
De bezuinigingen dwongen de minister min of meer de gehele GGZ sector en andere verslavingszorg en GGZ zorgaanbieders te betrekken. ZIN sprak niet alleen veel cliënt- belangenbehartigers en vertegenwoordigers, zoals het Landelijk Platvorm GGZ,(LPGGZ) en leden van Kennisnetwerk het Zwarte Gat. Ze organiseerden ook in maart dit jaar twee dagen, waarbij op de eerste dag de gecontracteerde aanbieders van de verslavingszorg werden uitgenodigd (deze zijn aangesloten bij GGZ Nederland) en op de tweede dag de niet gecontracteerde aanbieders. Voordat de twee dagen in maart dit jaar begonnen, werden alle partijen incl. de cliëntorganisaties gevraagd, hun visie over de huidige verleende zorg digitaal aan te leveren. Er werden schriftelijke vragen gesteld door ZIN m.b.t. behandelingen, begeleiding en methodische aanpak.
Doel van deze inventarisatie was/is, om te kijken of het m.b.t. de kosten ook efficiënter en daarmee goedkoper kan.

De verslavingszorgaanbieders, die verenigd zijn in de koepel van GGZ Nederland, hadden iemand van het Trimbos instituut ingehuurd. Deze dame was dermate slecht voorbereid, dat ze met haar cijfermatige presentatie over de sector, compleet en feitelijk de plank missloeg. De sector probeerde haar veren weer op te poetsen, door in haar visie, de prestaties van stichting Resultaten Scoren(RS) te benoemen. RS, is het wetenschappelijke bolwerkje van de sector verslavingszorg. Hier wordt zeg maar, alles wat er in de verslavingszorg aan behandeling en begeleiding wordt aangeboden op schrift gesteld. Maar ook veel zaken, die protocollen genoemd worden. Die gaan over regeltjes en hoe daar mee om te gaan. Ze konden echter niet duidelijk maken, wat het effect of het daadwerkelijke resultaat van al hun praktijken oplevert. M.a.w. hoeveel cliënten hebben er nu echt baat bij de door u geleverde zorg.

Ook stichting het Zwarte Gat (ZG) was vertegenwoordigd. In haar antwoord op de vragen van het ZIN had het ZG een hele andere opvatting dan de aanbieders. De zorg is volgens het ZG helemaal niet zo effectief en doelmatig. Het voldoet bij lange na niet aan de huidige maatstaven. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning(WMO), bijkomende transities, de Participatie Wet en overeenkomsten, die zijn afgesproken in het zorgakkoord, zijn in de GGZ sector nog niet binnen gekomen. Men is er doof en blind voor. Termen als eigen kracht, omgevingskrachtbronnen samenredzaamheid, empowerment, eigen regie, zelfmanagement, ervaringskennis/ deskundigheid en ga zo maar door, zijn naaldenprikken in hun medisch ingericht model.

Martinus heeft voor jullie uiteen gezet, waar het volgens het ZG wel om draait. Het ZG heeft dit ook vertaald in de vragen van het ZIN en gepleit voor een zorgstandaard. Een zorgstandaard is een kwaliteitsnorm waar goede zorg aan moet voldoen. Volgens het ZG, moet herstel leidend zijn in de zorg aan mensen met verslavings- en psychische verschijnselen/ problemen.
Het ZIN was het eens met de conclusies van het ZG en deze zijn ook onderschreven door het LPGGZ.
ZIN, verwoordde dit in haar aanbevelingen aan de minister. Ze gaf aan dat de input die was geleverd vanuit de cliëntenbeweging, aanleiding zijn voor een zorgstandaard herstel. Het cliëntperspectief moet leidend zijn in de ontwikkeling van de standaard/richtlijn(en).

Je zou denken, nou dat gaat er eindelijk op lijken. Het cliëntperspectief, de ervaringskennis/ deskundigheid is leidend in het proces. Samen met professionals en wetenschappers, vernieuwende herstel georiënteerde producten ontwerpen.

Om een standaard te realiseren, moeten er calls worden ingediend.(Een call is een aanvraag om een module/richtlijn te mogen/ kunnen ontwikkelen) Iedereen wil dit ineens heel nodig gaan doen, maar het cliëntperspectief is wel leidend. We tasten de boel maar eens af. Hoeveel moeten we toegeven aan elkaar. Wie is de slimste en heeft de sterkste argumenten om daadwerkelijk de leiding te nemen in het proces. En dit gaat nog maar over de aanvraag, het indienen van de call. Het strategische proces om de macht in de zorg is begonnen, de piketpaaltjes worden geslagen.

De voorzitter van het netwerk directeuren in de verslavingszorg en de voorzitter van RS uit dezelfde sector, zijn door de wol geverfd en stropen de mouwen op, om hun zogenaamde wetenschappelijk onderbouwde theorieën over verslaving op het ZG los te laten. Jullie zijn maar cliënten en we doen wel net of we jullie tolereren, maar als je maar niet denkt dat die onzin van jullie enige kans van slagen heeft. Letterlijk werd er gezegd; ‘daarom verdienen wij ook zo veel.’
Dit zijn de verhoudingen in de zorgsector. Hetzelfde geldt voor het Trimbos, ook een machtsbolwerk, dat zogenaamd voor wetenschappelijk verantwoorde cliëntgerichte zorg moet zorgen, maar cliënten moeten zich er zo min mogelijk mee bemoeien.

Op dit moment onderhandeld het ZG met RS, het Trimbos en een zorgpartij uit Zuid- Holland over het indienen van een viertal calls. Het ZG heeft zijn eisen om deel te nemen aan het indienen van de calls aan de andere partijen kenbaar gemaakt. Worden deze niet gehonoreerd dan overweegt het ZG zich als partij terug te trekken.
We hopen op een constructieve evenwaardige samenwerking, maar de strijd over de macht in de zorg is al begonnen voor het fluitsignaal geklonken heeft.