Aidspreventie in de jaren tachtig

Bron; Rotterdamse Junky Bond (R.J.B.)

In de jaren tachtig kwam de ziekte Aids onder de aandacht van het grote publiek. Eerst als homoziekte, daarna werd al snel duidelijk dat ook drugsgebruikers, in het bijzonder zij die spoten, de ziekte konden krijgen. Het was een homo en een ‘junkie’ ziekte.

Wat wist de gemiddelde Nederlander van Aids? En wat wist de gemiddelde drugsgebruiker ervan? Eigenlijk niets en dat is heel lang zo gebleven.
Toch werden er al vrij snel pogingen ondernomen, om gebruikers voor te lichten. Dat deed men toen meestal door flyers en folders te verspreiden via werkers en op locaties waar verslaafden kwamen, zoals het Straathoekwerk.

In de media ging het in die jaren nog niet over Aids. Er lag een te groot taboe op, men dacht toen dat buiten homoseksuele mannen en later drugs spuitende verslaafden, toch niemand het kon krijgen, dus het was ook minder belangrijk om er veel aandacht aan te besteden.
Het was de ver van ons bed show.

Pas eind tachtiger jaren ging de overheid zich bemoeien met de voorlichting. De folders werden toen gelikter, er waren speciale trainingen voor werkers in de verslavingszorg over hoe om te gaan met cliënten met Aids, en er werd op bijvoorbeeld het Straathoekwerk Leeuwarden, waar ik in die jaren werkte, een spuitomruil opgezet.

Tot die tijd moesten de gebruikers het doen met eigengemaakte folders. Deze folders werden meestal uitgebracht door belangenverenigingen, in dit geval de Rotterdamse Junkybond. De folder die boven deze blog staat is later door de Federatie Nederlandse Junky Bonden (i.o) overgenomen, dat staat eerlijk op de achterkant.
Waarschijnlijk uit begin tachtiger jaren; het lijkt een primitief en gestencild foldertje.
Het heeft als titel A.I.D.S. Preventie Project en op de voorkant staat een vuist. Dat kan duiden op het maken van een vuist tegen de ziekte Aids, maar het kan net zo goed duiden op fist fucking, waar ook vaak bloed aan te pas kon komen.
Het bijzondere van dit soort folders was, dat ze voor die tijd, begin tachtiger jaren, enorm openhartig waren in hun taalgebruik en het benoemen van zaken als spuiten, seks, en bloed-bloed contact. Dat was toen allemaal veel te expliciet, daar had men het niet over, of hooguit in bedekte bewoordingen en als het echt niet anders kon. 

Maar dit?! (en ja, de tekst is integraal overgenomen met alle HOOFDLETTERS EN k’s ten spijt waar we nu allang weer een c schrijven)

“Bloedkontakt kan ontstaan bij het onzorgvuldig inspuiten van heroïne, insuline, of andere middelen. Kontakt van sperma met bloed kan ontstaan door pijpen en kontneuken zonder condoom. (…) HOE ZORG JE DAT JE NIET BESMET RAAKT?”

“Steek je spuit alleen in je eigen glas water, je eigen citroenzuur, en je eigen lijf.”

“De meeste spuiters bewaren hun watten, om uit de verzamelde wattenpropjes opnieuw een shot te kunnen halen. DOE HET NIET. (…) Gebruik schone watten of alcoholdoekjes, en bewaar ze na gebruik niet. SPAAR GEEN OUDE WATTEN. BROUW GEEN SHOT VOL ZIEKTES”.

“SPUIT SCHOON EN VEILIG. DE JUNKIEBONDEN ZETTEN ZICH IN, VOOR EEN DRUGSBELEID WAT SCHOON SPUITEN MOGELIJK MAAKT.”

“Spuiters zijn geen smeerlappen. Maar helaas krijg je vaak niet de kans om schoon te spuiten. Lang niet iedereen kan in alle rust thuis gebruiken. Lang niet iedere dealer geeft je de gelegenheid om rustig en clean te spuiten. En als je het risiko loopt,dat politie je poeier in beslag neemt, neem je je shot zo snel mogelijk. Ook als je geen gelegenheid hebt om schoon te spuiten. HET VERVOLGINGSBELEID WERKT BESMETTINGSGEVAAR IN DE HAND.” 

Met wat we nu weten, en wat we nu hebben aan medicijnen, waardoor AIDS of HIV niet meer dodelijk hoeven te zijn, lijkt dit een redelijk naïeve tekst en lijkt het politieke statement bijna misplaatst. Maar in die jaren was er niets anders aan teksten en informatie, en waren de junkybonden eigenlijk erg vooruitstrevend door deze informatie uit te delen en bijvoorbeeld te benoemen, dat het opjagen van verslaafde daklozen, de zaak in elk geval niet beter maakte.
Het zorgde ervoor, dat verslaafden de informatie kregen die ze nodig hadden om zich bewust te worden van het gevaar. Het zorgde er ook voor, dat zij als een redelijke groep mensen neergezet werden, die ook maatregelen kon nemen tegen de besmetting. En het zorgde ervoor, dat eind jaren tachtig in steeds meer plaatsen spuitomruilpunten kwamen waar ook gebruikersattributen zoals watjes, alcoholdoekjes en flacons steriel water, gehaald of gekocht konden worden, teneinde het besmettingsgevaar zo klein mogelijk te maken.

Het waren de toenmalige junkybonden die de aanzet tot actieve voorlichting aan de groep spuitende druggebruikers gaven.
Dat zijn we misschien een beetje vergeten nu HIV en AIDS onderwerpen zijn waar iedereen wel iets van af weet en waarover onze Doutzen Kroes op tv expliciet meldt dat ze boos is omdat AIDS nog steeds in de taboesfeer zit.

Dat laatste is misschien wel waar.
Maar niet meer te vergelijken met het taboe van de tachtiger jaren, waarin het erg lastig bleek de groep verslaafden zo aan te spreken, dat ze de boodschap ontvingen. 

De junkybonden waren misschien wel de boze helden van het eerste uur.


Van Volksbond naar Hoog Hullen

Onlangs bezocht ik een symposium georganiseerd door de Stichting Volksbond Rotterdam. Het was een alleraardigste en goede bijeenkomst. Let wel, het vond plaats in Amsterdam. Na de bijeenkomst hield professor Elske Derks haar oratie. Zij bezet een door deze Volksbond gefinancierd professoraat met als leeropdracht “Addiction Genetics”. Dezelfde Volksbond financiert ook een leerstoel in Rotterdam en richtte in 1988 het IVO (Instituut voor Verslavings Onderzoek).

Nu was ik op Internet weer eens op zoek naar de geschiedenis van de Noordelijke verslavingszorg, die ik zou willen laten beginnen bij de oprichting van Hoog-Hullen in 1891. Ik stuitte daarbij op een document dat de geschiedenis van de Amsterdamse Volksbond vertelt en hoe die geschiedenis verbonden is met de oprichting van Hoog-Hullen in Eelde. Daarover gaat deze bijdrage. De gegevens heb ik ontleend aan www.historici.nl.

De Volksbond is in 1875 in Amsterdam opgericht en  heet voluit: Volksbond, Vereeniging tegen drankmisbruik. Na meer dan 100 jaar, in 1989, wordt de Amsterdamse Volksbond pas weer opgeheven.

De bond komt voort uit een initiatief van de journalist L.P Philippona, die onder het pseudoniem Multapatior (betekent: ik lijd veel) schrijft en die in het Handelsblad oproept de bestrijding van alcoholmisbruik ter hand te nemen. Let op, het gaat hem niet om het bestrijden van elke vorm van drankgebruik maar uitsluitend om het tegengaan van het drankmisbruik!
Er wordt in Amsterdam zelfs toestemming gevraagd voor het oprichten van bierkiosken. Dat verzoek wordt overigens door gemeenteraard met één stem verschil afgeween. In de 19e eeuw staat er bij de vergaderingen van de Volksbond nog wijn op tafel.
Er komen zoveel reacties dat L.P. Phippona besluit een vereniging op te richten die aanvankelijk Multapiatorsbond genoemd wordt en bij de start 800 leden telt.

Deze Volksmond stelde zich ten doel: het misbruik van bedwelmende dranken en openbare dronkenschap te bestrijden. Zij richt zich daarmee op alcoholisten. Zij had een neutrale levensbeschouwing. Hoewel in Amsterdam opgericht, beschouwde ze het hele land als haar werkterrein. Als activiteiten worden de volgende genoemd:

  • het nemen van het initiatief tot oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van het Herstel van Drankzuchtigen in 1890, die het sanatorium “Hoog-Hullen”, één der eerste herstellingsoorden voor alcoholisten, oprichtte en in stand hield.
  • het geven van voorlichting over drankmisbruik, het stimuleren van allerlei vormen van volksonderricht en van (woning)bezit
  • het opzetten van het zogenaamde ‘Toynbee’ of buurthuiswerk
  • het bevorderen van de oprichting van Bondhuizen, van het laten rondrijden van koffiewagentjes, en het inrichten van koffiekiosken.
  • het zenden van adressen aan de kroon, waarin aangedrongen werd op een betere reglementering van het drankgebruik en de drankproductie, waarbij de strijd werd aangebonden met de jeneverproducenten en schenkers en gepleit werd voor de productie van goed en goedkoop bier als alternatief; waarbij geageerd werd tegen uitbetaling van lonen in kroegen, tegen te lange werktijden; hiertoe was de Volksbond zeer actief in de Centrale commissie tot drankwetherziening.

Een mooie opsomming van activiteiten die ons nu niet alle even duidelijk zijn. Wat heeft het buurtwerk ingehouden? En hoe moeten we het stimuleren van (woning)bezit in dit verband zien? Dan zegt ons de oprichting en instandhouding van Hoog-Hullen ons meer.

In zijn boek, Drinken drank en Dronkenschap; vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland, vermeldt Jaap van der Stel dat de Volksbond ook het initiatief nam voor het oprichten van alcoholvrije wachtlokalen en koffiehuizen.
Het enige nog bestaande alcoholvrije koffie huis is het Volkshuis in Zutphen. Jaap merkt hierbij op dat de Volksbond in het begin een scherp onderscheid maakte tussen bier, dat werd op één lijn gesteld met koffie en mocht geschonken worden, in tegenstelling tot sterke drank.


De Volksbond kende door het hele land afdelingen: als eerste die te Amsterdam, daarna Assen, Bussum, Den Haag, Deventer, Domburg (1901), Dordrecht, Druten, Haarlem, Heemstede, Hilversum, Hoorn, Joure, Leeuwarden, Loenen aan de Vecht, Maastricht, Muiden, Utrecht, Vlaardingen (1899) en Wijk bij Duurstede. Ook het Adresboek van Alkmaar 1900 vermeld een afdeling van de Volksbond.
Bijzonder was, dat de leden en activiteiten van de Volksbond in tegenstelling tot de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van alcoholhoudende Dranken, dat zij enige invloed uitoefende in het katholieke Zuiden, althans tot de komst van Kruisbond en andere rooms-katholieke drankbestrijdingsorganisaties.
De Volksbond had ook een koninklijk tintje getuige het feit dat Koningin Sophie en de prinsen Frederik en Hendrik tot de eerste  behoorden, die sympathie betuigden met de oprichting van de Volksbond.
In 1900 had de Volksbond ongeveer 8.000 leden verdeeld over 29 afdelingen. Het lidmaatschap legde geen verplichtingen (ge- of beloften) op, behalve de betaling van contributie.

In 1989 waren er nog slechts 200 leden over van de 40.000, die de landelijke Volksbond eens rijk was. In dat jaar besloot de direktie van de Volksbond, de nog overgebleven leden van de landelijke organisatie te bedanken voor hun trouwe steun. Een indirect lidmaatschap via één van de overgebleven afdelingen van de Volksbond behoort nog wel tot de mogelijkheden. De landelijke organisatie kent nu alleen nog het lidmaatschap van de afdelingen.

In het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam beschikt men over 3,5 meter materiaal over de Volksbond. Voor wie dat wil is er nog veel meer te vinden en te vertellen over de Volksbond.

Via Google kom je weer een nieuwe Volksbond in Amsterdam tegen. De Stichting  Volksbond Amsterdam richt zich op de opvang van thuis- en daklozen. De naam is vast niet toevallig gekozen. Ook in Amsterdam is nu in één van de koffiehuizen van de Volksbond een restaurant gevestigd.

Wisselende kwaliteit heroïne in Nederland

Gun mij mijn shot,

ik ben er aan verslaafd

Al ga ik eraan kapot

Als het door mijn aderen draaft

Ik vind het toch zo lekker

het geeft me toch zo’n kick

Maar net als met een stekker

dan krijg je soms een flik

Dan gaat je lichtje uit

soms gaat het ook weer aan

Maak je alleen een stuit

en anders is het met je gedaan

Na enige jaren heroïne te hebben gerookt merkte ik dat ik steeds zieker werd als ik niets rookte. Als ik scoorde en begon te roken verloor ik veel van het kostbare spul. Ik kwam erachter dat ik niet alles meer naar binnen kon inhaleren als ik ziek was. Ik was kortademig en liet alle rook vervliegen. Het was mei 1979 dat ik mijn eerste shotje nam. Ik weet het eigenlijk nog goed. De kermis was begonnen en het was lekker weer. Ik had net wat gescoord samen met een paar gasten deze keer. Een van die gasten spoot wel eens vaker. Ik vertelde hem van mijn probleem bij het roken. Hij herkende dat natuurlijk en zei dat hij daarom is gaan spuiten. Hij zou het me wel voor kunnen doen. We gingen naar binnen bij de studenten sociëteit Vindicat en schoten een wc op de begaande grond binnen.  Daar maakte hij de dope klaar op de lepel en zoog het even later op in de spuit. Hij drukte de naald op de spuit en liet mij zien hoe ik mij arm moest afbinden. Hij had twee spuiten klaargemaakt een voor hem en de ander voor mij. Er was geen weg terug. Ik stak voor het eerst dat jaar een spuit in mijn eigen arm. Ik zoog het bloed eruit, maakte de riem los en spoot alles in mijn aderen. WAUW, ik wist niet wat me overkwam. Ik voelde een warmte en dan de snelheid waarmee de flash binnenkwam. Dat was wel even wat anders dan wat ik tot nu toe uit een gevoel van de dope had gehaald. Dit was het helemaal. Ik kwam de wc uit en ging naar buiten. Misschien kwam het ook door de omstandigheden, de zon scheen de kermis maakte zijn lawaai en ik liep ineens op de toppen van mijn stonedheid. Ik voelde me heerlijk.

Maar naar leuke tijden komen natuurlijk ook minder leuke tijden. We werden op de korrel genomen door de politie, die ondertussen lucht had gekregen van een groep jongeren die de stad onveilig maakte. Diefstallen uit winkels pleegde, geweld tegen anderen gebruikte en dat was nog maar het begin. Bijna drie jaar heb ik als gebruiker mijn gang kunnen gaan zonder dat ik last van de politie heb gehad. Daarna werd ik  regelmatig opgepakt en zat dan een paar dagen op het bureau aan de Rademarkt. Het afkicken viel niet mee in die dagen. Je kreeg toen nog geen methadon op het bureau. Er was vaker nieuwe dope in de stad te krijgen. Nadat de chinezen zich min of meer terug hadden getrokken, kwam er ook heroïne uit Turkije en Iran. Het spul wat daar vandaar kwam was sterker. Als ik na een paar dagen weer vrij kwam was natuurlijk het eerste  wat ik deed scoren. Ik moest wat hebben, al was de grootste afkick naar vier dagen wel voorbij. Maar tussen je oren natuurlijk niet, dan was je net zo ziek als je het binnen voelde. Ondertussen was ik bedreven geraakt in het spuiten van mezelf. Het ritueel wat volgde was, spuit regelen, citroen, beetje water en lepeltje regelen en dan een plaats waar ik op mijn gemak even de spuit kon klaarmaken en mezelf injecteren. De citroen prikt altijd even, als je in het begin de spuit inbrengt.

Ik zat deze keer op de wc van V&D en vernam dat ik een lichte overdosis nam. Evert Prak die toen bij me was, zijn naam kan ik noemen, hij is reeds overleden, zag het gebeuren. Ik zei dat het wel mee viel maar hij maakte er een drama van en waarschuwde iemand. Ik had weliswaar een overdosis genomen, maar verkeerde naar mijn idee niet in levensgevaar. De symptomen waren niet dusdanig dat ik volledig onderuit ging.  Iets wat ik een paar maanden later wel deed.

Toen was ik gelukkig bij iemand thuis die mij op tijd op de wc heeft gevonden. Uiteindelijk ben ik met een ambulance naar het AZG gebracht en met zoutwateroplossing weer op de been geholpen. Het was mijn eerste overdosis ten gevolge van wisselende samenstelling van de heroïne. Een bijkomend nadeel was dat mijn moeder er achter kwam dat ik een overdosis had genomen. Mijn moeder luisterde in die tijd altijd naar een politieradio en had mijn naam horen vallen. Ik had haar al jaren voor de gek weten te houden over mijn gebruik, dat was nu voorbij.


Van Evert heb ik later nog eens spuitersgeelzucht opgelopen. Soms zeker in de begin jaren van mijn gebruik, gebruikte je nog wel eens de naald van en ander. We wisten weinig van geelzucht en zeker nog niets van hepatitis C en HIV in die tijd.

Een kwaliteitscontrole voor illegale drugs…

Een kwaliteitscontrole voor heroïne is wat ondergetekende en collega Ria Struijk, beiden werkzaam bij Het Straathoekwerk, vragen in dit artikel dat op 18 oktober 1979 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden. Dagelijks op straat zijn met verslaafden maakte een dergelijke hele praktische wens heel gewoon, wel voor ons en de verslaafden, maar niet voor iedere andere burger en zeker niet voor de reguliere verslavingszorg. Deze bestond toentertijd uit de stichting Nieuw Hoog-Hullen  en het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs (CAD) Groningen. Ook de GGD vervulde een functie.

Ik zie nu dat we toch niet durfden te onthullen hoe we dat nu precies deden, die kwaliteitscontrole. Ik zal dat, 34 jaar later, alsnog doen aan de hand van mijn eigen ervaring.

We hadden een paar pakjes heroïne gekocht en die bracht ik met de auto naar een aan ons bevriende apotheek. Dat was een spannend ritje, want een vergunning om heroïne in ons bezit te hebben of te vervoeren hadden we niet. Het was extra spannend omdat al in het begin van de rit vanuit het centrum een politie-auto achter me ging rijden en dat bleef volhouden tot vlak bij de apotheek, in een buitenwijk. Daar aangekomen overhandigde ik de ingekochte heroïne aan de apotheker. Deze bracht het weer naar een laboratorium van wat nu het UMCG is. Na enige tijd, ik weet niet meer hoe lang, kregen we de uitslag.

Meestal bevatte zo’n pakje 25 – 40% zuivere heroïne. Om flinke winsten te kunnen maken wordt de zuivere heroïne door de verschillende tussenhandelaren vermengd met goedkope stoffen. Dit percentage was niet ongebruikelijk in Nederland in die tijd. Er werd toen in Nederland aanzienlijk betere heroïne verkocht dan in New York, waar de pakjes meestal maar zo’n 5% zuivere heroïne bevatten.

Het nut van de controle van de kwaliteit van de heroïne bewees zich korte tijd later heel duidelijk. De handel in heroïne was toentertijd veelal in handen van mensen van Nederlandse en Surinaamse komaf. Begin jaren 80 wilden Turkse handelaren die markt overnemen. Daarvoor gebruikten ze een eenvoudig economische principe: meer waar voor dezelfde prijs. Elk pakje bevatte toen wel 80% zuivere heroïne. Gebruikers die door bijvoorbeeld een korte detentie niet goed op de hoogte waren van deze kwaliteitsverbetering namen nog hun oude hoeveelheid heroïne in (er werd nog veel geïnjecteerd en dan kun je niet goed doseren als het effect anders blijkt te zijn) en kregen daardoor een overdosis. Enkelen hebben dit zelfs met hun leven moeten bekopen.

Het Nederlandse drugbeleid volgt nog steeds de war on drugs van de VS en daardoor kan de markt alleen voorzien worden van illegale drugs en dat maakt kwaliteitscontrole nog steeds erg noodzakelijk. Gelukkig is er op dat vlak veel verbeterd, doordat er overal in het land testmogelijkheden zijn gekomen, waar consumenten hun gekochte drugs op kwaliteit kunnen laten testen.
 

Opstand in Huis van Bewaring in Groningen; een vervolg in 1977 in Assen.

In 1971 vond de eerste opstand in het Huis van Bewaring in Groningen plaats en in 1974 de tweede. Bij deze laatste opstand was het Huis van Bewaring zo beschadigd geraakt dat het voorlopig niet meer te gebruiken was. Het Huis van Bewaring in Assen, dat kort daarvoor vanwege zijn monumentale status was gesloten, werd heropend.

Ik had na de tweede opstand de rechtszitting daarover, als student Sociale Psychologie, met een aantal mede studenten gevolgd. We maakten allen deel uit van de studiegroep Sociale Deviantie en hadden belangstelling gekregen voor het gevangeniswezen en haar bewoners. Eerst zagen we de film Attica over de grote gevangenisopstand in de staat New York in de VS. Deze opstand was het gevolg van de voortdurende en oplopende spanningen tussen de bewakers met een plattelandsachtergrond en de gevangenen met een grote stad achtergrond. We zagen daarin enige gelijkenis met de Nederlandse situatie in Veenhuizen. Het volgen van de rechtszitting in Groningen was onze tweede confrontatie met een gevangenisopstand. Deze had wel een veel milder karakter dan die in Attica. De rechtszitting duurde de gehele dag en was zeer interessant, temeer daar wij ons als bezoekers in het gezelschap bevonden van de dominee, Wichert Hoekert, na wiens kerkdienst de opstand was begonnen. Hij kon de verhalen en ook de beelden, aanvullen met interessante inside informatie. Ik ben later bevriend met hem geraakt. Aan deze vriendschap kwam helaas in 2006 een eind door zijn plotselinge overlijden.

In 2004 ging Wichert Hoekert met pensioen en voor zijn afscheid hebben vrienden een Liber Amicorum geschreven met als titel “Verhalen”. Uit mijn bijdrage daaraan put ik over de dreigende opstand in het Huis van Bewaring in Assen in 1977 waarover ik hier vertel.

De directeur van het Huis van Bewaring in Groningen en later ook van het Huis van Bewaring in Assen vermoedde dat Wichert Hoekert achter de opstand in 1974 zat en wilde graag van hem af. In 1976 zag hij zijn kans schoon toen hij een beoordeling over hem naar het Ministerie van Justitie moest sturen. Hij opent zijn brief aan de staatssecretaris van Justitie van 3 november 1976 met:

“Naar aanleiding van Uw bovenaangehaald schrijven, heb ik de eer Uw Excellentie te berichten, dat ik het helaas niet eens kan zijn, met uw voornemen tot aanstelling in vaste dienst van Ds. W.J.H. Hoekert.”

Ter motivering van zijn standpunt voert de directeur onder andere het volgende aan:

“Zijn wijze van functioneren in deze inrichting zou nog te accepteren zijn van een dominee, die voorganger is van een gemeente buiten en zo nu en dan deze inrichting zou bezoeken, om de geestelijke nood van de gedetineerden te lenigen, kerkdienst zou houden en mogelijk een spreekuur. Dan zou het gebrek aan realiteitszin en het gebrek aan mensenkennis, hoogst waarschijnlijk minder storend werken dan nu, waar bij een confrontatie duidelijk irritaties worden opgewekt bij directie en medewerkers door de kennelijke naïviteit, waarmede problemen en voorstellen worden ingebracht.”  

En even verder:

“Hij vindt elke gedetineerde leuk, lief en aardig, hetgeen helaas in vele gevallen anders is.”

En:        

“Als geestelijk verzorger beantwoordt hij niet aan het verwachtingspatroon, dat gedetineerden en personeel van een geestelijk verzorger hebben.”

Nu zult u zich afvragen hoe wij toch over zo veel informatie uit een vertrouwelijke brief met een beoordeling van een medewerker beschikken.

Daarvoor moeten we even terug gaan in de tijd. In 1976 kon je als gedetineerde “het baantje” reiniger verwerven. Ik geloof een gewild baantje, omdat je dan behoorlijk wat bewegingsvrijheid had. Iets wat we tegenwoordig niet meer kennen is carbonpapier. Dat werd gebruikt om van een brief een kopie te maken. Je kon dat soms wel meerdere keren gebruiken, maar ook direct weg gooien.

De directeur van het Huis van Bewaring had voor zijn brief carbonpapier gebruikt en (later) weg gegooid. De gedetineerde die destijds reiniger was, was kennelijk een nogal nieuwsgierig type. Dus hij gooide de inhoud van de prullenbak van de directeur pas weg na de inhoud goed bekeken te hebben. Hij kon op het stuk carbonpapier de gehele inhoud van de brief van de directeur over de dominee lezen en was ronduit geschokt. Hij stak het stuk bij zich en nam het mee naar de luchtplaats om het de andere gedetineerden te tonen en er met hen over te praten. Eén van hen heeft de moeilijk leesbare brief van het carbonpapier over getypt. Vervolgens hebben de gedetineerden op 14 januari 1977 gezamenlijk een brief opgesteld, gericht aan de staatssecretaris van Justitie. Deze brief eindigt met:

“Wij kunnen ons best voorstellen dat de direkteur vindt dat wij slechts tuchtiging verdienen. Wij kunnen aanvaarden dat de direkteur ons geen goeie dominee gunt. Maar het wekt onze afkeer op dat de dominee met alle middelen, zelfs grove leugen(s), wordt zwart gemaakt.
Wij hopen dat U onze onmacht kunt compenseren.
                                                          
                                                                                Met de meeste hoogachting,”

Het trof dat onze reiniger, Hans J uit Groningen, vrij kwam. Hij had beide brieven bij zich en kon toelichten dat er een grimmige sfeer onder de gedetineerden heerste.
Wij maakten dat wereldkundig als een dreigende opstand in het Huis van Bewaring en dat leidde tot veel media-aandacht, waaronder het NOS-journaal, toen nog gepresenteerd door Frits Bon. Hij ging er ook zelf als verslaggever op uit, onder andere om ondergetekende te interviewen. Ik moet nog een beetje lachen als ik weer voor me zie hoe Frits Bon met ferme stappen naar het Huis van Bewaring loopt en probeert brutaal naar binnen te stappen en dan ontdekt dat de voordeur niet meegeeft.

De toenmalige staatssecretaris van Justitie Zeevalking reisde af naar Assen en heeft volgens een verslag dat de gedetineerden daarover maakten ook overleg met hen. Uiteindelijk kreeg Wichert Hoekert zijn vaste aanstelling  en vertrok later op eigen initiatief naar de Bijlmer bajes in Amsterdam, waar hij tot zijn pensionering gevangenisdominee bleef.

De directeur moest een aantal jaren later (1983) vertrekken.

Bij de receptie ter gelegenheid van de pensionering van Wichert Hoekert werd me pas duidelijk hoe veel en op welk hoog niveau er was overlegd tussen kerkelijke vertegenwoordigers en het Ministerie van Justitie.

Hoe zou het nu met Hans J zijn?